Ik werk nu al dagen op het ritme van het licht. Hier in het Streuvelshuis is het vanaf vijven stikdonker en is het een pak minder aangenaam werken. Ik probeer het nog wel, maar mijn ogen worden snel vermoeid.

Plots besef ik dat Streuvels ook zo gewerkt moet hebben, dat kan haast niet anders. Uiteraard was er al elektrisch licht in zijn tijd, maar ik vermoed dat, wanneer de kracht van zijn panoramische raam was uitgedoofd, hijzelf ook snel uitdoofde.

Hij moet hebben gewerkt ‘van de morgenstond tot de avondval’ zoals een boer, zoals zovelen in die tijd. Daarbij komt ik nog in te zien dat hij indertijd ook op een luide typemachine werkte en niet op de geruisloze iMac die ik bij me heb. Hoe onaangenaam moet dat getik in het donker hebben weerklonken. Hoe uit den boze was het om ’s avonds, laat staan ’s nachts, daarop te gaan werken?

Ik geloof dat, door mee te gaan met de klaarte en de duisternis van de dag, het schrijversleven een aangename regelmaat kreeg. Een regelmaat die ik soms mis en die ik nu toch voorzichtig terugwin. Al moet ik zeggen dat ook vaak vloek na een dag, omdat hij werkelijk kort is, omdat het me daagt dat ik nog een hele weg af te leggen heb en ja, zelfs dat ik het mezelf moeilijker heb gemaakt dan dat het me ’s morgens voorstond. Dan kan ik een kopie van de De Vlaschaard vastgrijpen, vloeken en zeggen: ‘Streuvels, jij bent tenminste al binnen!’

Auteur: Sylvie Marie

Schermafbeelding 2015-11-05 om 17.45.06

Advertenties