Tags

, , , , , , , , , , , , ,

Tenslotte. (…) Ik kon weer niet slapen en stond op, liep rond in het huis en keek naar buiten waar ik niets kon zien. In bed las ik Het leven en de dood in de ast. Rond half drie werd ik wakker en ging naar de schrijfkamer om daar verder te lezen. Streuvels verviel hier niet in zijn eeuwig opsommen en benoemen, beschrijven.  Al lezend dacht ik eerst dat niemand mij zag, ook al keek het donkere schrijversraam mij aan. Als een inwaarts kijkend oog. Daarachter de spiegeling van het landschap naar mij, dreigend en blind, dat in een camera obscura mijn beeld vatte en naar buiten wierp. Dit was ik. Ik werd er angstig van. Ik luisterde. Een of ander dier zuchtte ergens.

KoenPeetersLijsternest2
Dat blauwe domotische oog keek mij pinkend aan, het was van hetzelfde blauw als de dromen die Streuvels op het einde had. Hij had het over bleekblauwe bloemen op behangpapier, blauwe dieren en druiventrossen, hij vertelde dat hij rondwaarde in Babylonië dat veranderde in Brugge, tussen mensen waar hij doorheen liep en een vogel vloog boven hem, hij tastte ernaar en het was alsof hij in zacht pluimgras greep.

Streuvels had bijna op mijn schouder getikt, maar deed het toch maar niet. Hij ondervroeg mij: ‘Wat doet dat als iemand zo dichtbij doodgaat als ge ernaast staat? Staart de dood u dan aan? Sterft ge dan ook  een beetje? Kunt ge dan misschien uw eigen dood in de ogen zien?’
Het was een uil buiten, of de chauffage binnen die zo’n geluid maakte. Ik keek naar de natriumlampen boven de autoweg buiten, een auto passeerde met een droevig geluid (…)

Auteur: Koen Peeters

Advertenties